Programma(Nederlands / Engels)

Gagaku, muziek en dans van het Japans Keizerlijk hof

日本語日本語   EnglishEnglish

HOME > Programma(Nederlands / Engels)

Programma (Nederlands / Engels)


Festival Theatre, Edinburgh, Wednesday, 22 August

Part I.Kangen (Instrumental music)
  1.Netori (tuning) in hyō-jō
  2.Etenraku
  3.Kashin (Rōei)
  4.Keitoku (Virtues of the Rooster)

Interval

Part II.Bugaku (Dance and music)
  1.Manzairaku (Longevity Revel)
  2.Nasori
  3.Bairo

  • ARTISTS
  • Dancers
  •   1.Nagao Okubo, Takaaki Iwanami, Seiichi, Masuyama, Joji Shijo
  •   2.Mitsuhiko Ikebe, Sadao Okubo
  •   3.Tadaaki Ono, Satoshi Wakai, Sotaro Hisatsune Mizushi Hoshi
  • Ensemble
  •   Shō (mouth-organ):Hideaki Bunno, Hokuto Matsui, Takeaki Bunno, Motoki Ohara
  •   Hichiriki (oboe):Goro Ikebe, Suenaga Togi, Fumihiko Yamada, Koso Hirakawa
  •   Fue (flute):Kenji Ue, Yasuo Okubo, Hiroki Uehara, Takanori Koyama
  •   Kakko (drum) / San-no-Tsuzumi (hourglass drum) :Shogo Anzai
  •   Taiko (drum):Hiroaki Togi
  •   Shōko (bronze gong):Yasuaki Bunno


Zaterdag 25 Augustus 2012 - Programma A

Deel / Part 1.Kangen (Instrumentale muziek / Instrumental music)
  1.Netori (stemmen / tuning) in hyō-jō
  2.Koromo-gae (Saibara, liederen van stalknechten / songs of horse-grooms)
  3.Etenraku
  4.Keitoku (Deugden van de Boerenhaan / Virtues of the Barnyard Rooster)

PAUZE / INTERVAL

Deel / Part 2.Bugaku (Dans en Muziek / Dance and music)
  1.Shundeika (Tuinbloemen in de Lente / The Garden Flowers in Spring)
  2.Nasori
  3.Bairo


Zondag 26 Augustus 2012 - Programma B

Deel / Part 1.Kangen (Instrumentale muziek / Instrumental music)
  1.Netori (stemmen / tuning) in hyō-jō
  2.Etenraku
  3.Kashin (Rōei)
  4.Keitoku (Deugden van de Haan / Virtues of the Barnyard Rooster)

PAUZE / INTERVAL

Deel / Part 2.Bugaku (Dans en Muziek / Dance and music)
  1.Shundeika (Tuinbloemen in de Lente / The Garden Flowers in Spring)
  2.Nasori
  3.Bairo

gpag.nlgpag.nl

Descriptions

Deel 1. Kangen (Instrumentale muziek)

Kangen is de benaming voor een ensemble dat Togaku of Gagaku ten gehore brengt, van oorsprong uit China afkomstige muziek en instrumenten. In lang vervlogen tijden werd ook Komagaku gespeeld, muziek afkomstig uit Korea, maar dat is al lang niet meer het geval. Bij Tōgaku wordt gebruik gemaakt van zes verschillende toongeslachten: ichikotsu-chō, hyō-jō, sō-jō, ōshiki-chō, banshiki-chō, en taishiki-chō, die in de westerse muziek corresponderen met respectievelijk D, E, G, A, en H. De stukken die vandaag gespeeld worden, worden allen uitgevoerd in hyō-jō (corresponderend met toonsoort E).

Netori (stemmen) in hyō-jō
Hyō-jō, toonsoort E, gebruikt een toonladder die in het Japans Ritsu wordt genoemd, in contrast met de Japanse toonladder Ryo. Netori is een kort stuk dat altijd aan het begin van het programma onderdeel Kangen wordt gespeeld, een soort inleiding waarbij de instrumenten in de juiste toonsoort worden gestemd en die aan het publiek de tonale sfeer van het concert aangeeft. Vanuit een westers oogpunt zou je het kunnen beschrijven als “concertant stemmen”.
Netori wordt in eerste instantie gespeeld door de blaasinstrumenten, shō (mondorgel), hichiriki (hobo) en fue (fluit), later gevolgd door het percussie instrument, kakko (drum) en de snaarinstrumenten, biwa (luit) and sō (harp).

Koromo-gae (Saibara, letterlijk liederen van stalknechten)
Saibara is de benaming voor oude Japanse liederen, die in de vroege Heian periode (794-1191 a.d.) werden gecomponeerd onder de invloed van melodieën die waren overgewaaid van het continent. Deze volksmuziek wordt gezongen, begeleid door zogenaamde T’ang instrumenten.
Saibara liederen werden uitgevoerd tijdens concerten aan het Keizerlijk Hof, Gyoyu, begeleid door blaas- en snaarinstrumenten. Na de Kakakura periode (1192-1333 a.d.) raakte de Saibara in verval en zelfs in de vergetelheid totdat ze in de Edo periode (1603-1868 a.d.) langzaam maar zeker nieuw leven ingeblazen kregen.
Koromo-gae is het bekendste van de Saibara liederen. Hoewel het als volksliedje is ontstaan, kreeg het geleidelijk aan een adellijke status van een hoog artistiek niveau. Het werd gezongen onder begeleiding van vanaf het vasteland afkomstige blaas- en snaarinstrumenten en was vooral tijdens de Heian periode populair.
Koromo-gae (het betekent zoveel als de verandering van kledij per seizoen, maar kan ook slaan op het verkleden zelf) klinkt als volgt:

“Koromo-gae sen ya,
Sha Kindachi!
Waga kinu wa, Nohara, shinohara,
Hagi no hanasuri-ya,
Sha Kindachi-ya!”
“Heren Krijgslieden, laten we onze zijden gewaden verwisselen (voordat het
jaargetijde wisselt en anderen ons voor zijn)!
Mijn kleed is gekleurd door de vermalen klaverbloesem
(dat is toch de mode, niet?),
Heren Krijgslieden!”

Een gezongen compositie, die een ontspannen en elegante sfeer nastreeft.
De solist begint het Saibara lied “Koromo-gae” alleen onder begeleiding van het geklepper van de shakubyōshi, een percussie instrument dat bestaat uit twee houten klepels. Na de woorden “senya” valt het koor in onder begeleiding van shō, hichiriki, ryūteki, biwa, en sō.

Etenraku
Oorspronkelijk werd dit stuk gespeeld in de hyō-jō mode (toonsoort E) en staat bekend om zijn puntige, maar toch elegante melodie en zijn heldere vorm. De oorsprong van het stuk is niet bekend. Sommigen schrijven het toe aan Keizer Wen, die regeerde van 180 tot 157 b.c., tijdens de Han Dynastie in China, maar anderen beweren dat het van Japans origine is.
Er bestaan drie stukken met dezelfde titel, maar in verschillende toonsoorten: Hyō-jō, Ōshiki-chō en Banshiki-chō. De “Etenraku” in Hyō-jō, is de beroemdste Kangen. Er wordt beweerd dat het de originele versie is van het bekende Japanse volkslied “Kurodabushi”. Het wordt geroemd om zijn heldere en elegante melodie en vorm.

Kashin (Rōei)
Rōei is door het koor gezongen poëzie. Beroemde Japanse of Chinese gedichten worden op muziek gezet en in koor gezongen. Naar alle waarschijnlijkheid maakte deze vorm zijn bloeiperiode door in het midden van de Heian periode (794-1192 a.d.).
Kashin werd met name opgevoerd aan het hof tijdens “Tōka” , een poëzie festival aan het begin van het jaar. (Mannelijke en vrouwelijke dichters en dansers werden aan het hof uitgenodigd om hun gelukwensen voor het nieuwe jaar door middel van zang en dans over te brengen)
Bij Rōei, wordt veelal een Chinees gedicht voorgezongen, vertaald in het Japans.Maar Kashin wordt slechts in het Chinees gezongen, op zijn Japans uitgesproken. Het gedicht wordt altijd driemaal herhaald. Maar alleen tijdens de tweede herhaling wordt vanaf het eerste vers gezongen, de eerste en derde keer wordt in het midden begonnen. Bovendien is het een bijzonder curieus gedicht, dat telkens op dezelfde melodie gezongen wordt. Tegenwoordig wordt alleen de tweede herhaling voorgedragen, de complete versie dus.
Gewoonlijk wordt Rōei uitgevoerd onder begeleiding van Kangen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de toonsoort van Kangen omdat de zang zelf geen eigen bepaalde Kyūon (grondtoon) heeft. Vanavond wordt Hyōjō-chō als grondtoon gebruikt.
Het gedicht klinkt als volgt:

Ka-shin Rei-ge-tsu Kan-mu-kyoku,
Ban-zei Sen-shū Raku-bi-yō.
(Groot is ons geluk op deze voorspoedige maanverlichte nacht.
Moge hij oneindig zijn, eeuw na ontelbare eeuw).

Keitoku: De Deugden van de Boerenhaan
Over de oorsprong van dit lied doen ook twee theorieën opgang. Sommigen beweren dat het werd gecomponeerd om de vijf deugden te omschrijven die van oudsher aan de gewone boerenhaan worden toegeschreven: vocale vaardigheid, krijgskunst, moed, welwillendheid en oprechtheid. Deze deugden worden toonmatig vertaald met behulp van de vijftonige schaal (Kyū, Shō, Kaku, Chi, en U). Anderen zijn van mening dat het lied geschreven werd ter gelegenheid van de Chinese overwinning op een zekere zuiderbuur, die Keitō-koku genoemd werd (letterlijk de Hanenkam Staat).
Tijdens de Heian periode werd dit stuk uitgevoerd op 7 Januari ter viering van het Aouma festival, wanneer de witte paarden uit de beide keizerlijke stallen werden gehaald en aan de Keizer werden getoond, waarna hij zijn onderdanen een banquet aanbood.Omdat het Japanse karakter voor “boerenhaan” hetzelfde is als voor het begrip “kei”, dat gelukwens weergeeft, wordt de uitvoering van dit muziekstuk als voorspoedgevend beschouwd.

Deel 2. Bugaku (Dans en muziek)

Bugaku bestaat uit muziek en dans afkomstig van het Aziatisch continent en wordt onderverdeeld in twee categorieën, Sahō-no-mai, afkomstig uit China (dans van de Linkerschool, waarbij de dansers aan de linkerzijde van het toneel opkomen, vanuit de zaal gezien) en Uhō-no-mai afkomstig uit Korea (de Rechterschool, waarbij de danser aan de rechterzijde van het toneel opkomen, vanuit de zaal gezien).
Vandaag worden Shundeika van Sahō-no-mai, en Nasori en Bairo van u-no-mai uitgevoerd.

Manzairaku (Longevity Revel)
In ancient China there was a belief that when a sage emperor reigned, a phoenix would fly overhead and sing “Manzai! Manzai!” in an auspicious omen of the emperor’s longlife. Manzai means ten thousand years.
In the bugaku piece Manzairaku (literally “ten thousand years of music”), the music is said to represent the voice of the phoenix, while the dance evokes its form and movements.From ancient times, this piece has been customarily played at enthronement ceremonies, celebratory feasts and similar auspicious occasions.
The four dancers wear phoenix headdresses and are costumed in kasane shōzoku, with the right sleeve hanging loose at the shoulder. The movements are elegant and stately.

Shundeika (Tuinbloemen in de Lente)
Volgens de legende was Hsuan Tsung – Keizer tijdens de T’ang dinastie, die regeerde van 712 tot 756 a.d. – bedroefd om het feit dat de de bloemen zo laat in bloei kwamen. Hij begaf zich naar de top van een hoge toren en speelde een melodie op zijn fluit, toen plotseling honderden verschillende bloemen in de tuin tot weelderige bloei kwamen. Daarmee werd de melodie die hij speelde bekend onder de naam Shundeika (Tuinbloemen in de Lente).
Volgens de overlevering is dit stuk voor het eerst gedanst door Kure-no-Makura, een Kentō-Bushō die naar T’ang werd gezonden om opgeleid te worden als danser tijdens de regering van Keizer Kanmu (781-806 a.d.). Het stuk zou gecomponeerd zijn door Wanibe-no-Ōtamaro. Het is in twee delen verdeeld. Als alleen het eerste deel wordt uitgevoerd, wordt het Shundeiraku genoemd. Als beide delen worden gedanst, heet het Shundeika. Het is een stuk voor vier dansers, Sahō-no-mai (dans van de Linkerschool). De dansers dragen een hoofdtooi (ken-ei) versierd met bloemen en hebben de rechtermouw van hun ban-e-shōzoku kostuum van hun schouder weggeslagen. Ook dragen zij een lang zwaard in hun gordel. Aan het eind van het stuk dansen zij in een cirkel, waarbij ze het openen en sluiten van de bloemkelken weergeven; een buitengewoon elegante en verfijnde choreografie.

Nasori
Dit stuk bereikte Japan via Korea, maar waar het in beginsel is ontstaan is onduidelijk. Het is ook bekend onder de naam Sōryū-no Mai (Dans van het Drakenpaar), een dans waarbij een mannelijke en een vrouwelijke draak elkaar vermaken. Men zegt dat het in het verleden werd uitgevoerd om de overwinnaar tijdens traditionele sportwedstrijden zoals Sumō worstelen, te eren.
Dit duet behoort tot Uhō-no-mai (dans van de Rechterschool). De dansers dragen de Ryōtō-Shōzoku, een soort tuniek met franje en een pantalon, terwijl hun gezicht bedekt is met een masker en zij in hun rechterhand een staf dragen. Zij dansen de Ha (de afwisseling) en de Kyū (de climax).

Bairo
De muziek voor deze bugaku (dans) is waarschijnlijk afkomstig uit India en is gecomponeerd door maestro Hanrōtoku (in Japanese karakters).
Vroeger was men ervan overtuigd dat, wanneer Bairo voor een veldslag werd gespeeld, dit lied een vreemde voorspellende gave had en overwinning zou brengen voor het leger dat in staat was het lied te horen in de mysterieuze en buitengewoon aangename toonsoort shamō.
De muziek zou in Japan zijn geïntroduceerd door de de Indiase Brahman priester Baramon Sōjō en door Buttetsu, een monnik uit Indochina. De dans is daarentegen wel in Japan ontstaan en zou een tweestrijd teweeg hebben gebracht tussen Shōtoku-Taishi (Kroonprins Shōtoko 574-622 a.d.) en de Mononobe clan; een strijd die uiteindelijk door de Kroonprins werd gewonnen, nadat hij de prachtige shamō toonsoort in dit muziekstuk had gehoord. The bugaku (dans) werd ieder jaar uitgevoerd in de Tōshōdai-ji Temple ter gelegenheid van Heroe of Busshōe, de viering van de geboortedag van Buddha.
Het Ha deel van de muziek wordt gespeeld in hyō-jō en Yatara-hyōshi (een interval van 2/2 en 2/3). Het Kyū deel, genaamd Shinra-ryō-Ō (een Tōgaku stuk) wordt gespeeld in Ichikotsu-chō.
Het stuk wordt uitgevoerd door vier dansers en behoort tot Uhō-no-mai (dans van de Rechterschool). De dansers gaan gekleed in ryōtō-shōzoku (kazuifel-achtige mouwloze kostuums, aan weerszijden open) en ze dragen een hoofdtooi, die makkō wordt genoemd. Ze hebben een lang zwaard omgegord en dragen een hellebaard en schild. Tijdens het Ha deel, trekken de dansers hun zwaarden en voeren een zwaarddans uit. Aan het eind van het Kyū deel, pakken de dansers hun hellebaarden en schilden en gaan af terwijl ze ermee zwaaien in een dans-beweging die de Bairo Rout wordt genoemd.